Om kwart over twee ’s nachts lag de telefoon van Linde nog steeds onder haar kussen.
Het was geen fijne plek voor een telefoon. Het ding werd warm en de harde rand drukte tegen haar slaap wanneer ze zich omdraaide. Toch legde ze hem iedere avond daar neer. Niet op het nachtkastje, niet aan de oplader aan de andere kant van de kamer, maar vlak onder haar hoofd. Dicht genoeg om iedere trilling te voelen voordat het geluid haar wakker kon maken.
Alsof een bericht van David niet mocht wachten tot de ochtend.
Die nacht had ze hem om half elf geschreven.
Slaap lekker straks. Ik vond het fijn vanmiddag. Laat je even weten wanneer je thuis bent?
Het bericht had twee grijze vinkjes gekregen. Geen blauwe, want David had zijn leesbewijzen uitgeschakeld. Volgens hem deed hij dat bij iedereen.
Om elf uur was hij nog online geweest. Om zeven minuten over twaalf opnieuw. Daarna om één uur en even na tweeën.
Linde wist dat omdat ze vaker had gekeken dan ze zichzelf wilde toegeven.
Misschien praatte hij met zijn broer, dacht ze. Zijn moeder kon ook wakker zijn. Misschien luisterde hij muziek via zijn telefoon en verscheen hij daardoor als online. Misschien had hij haar bericht in de melding gelezen en bedacht hij een antwoord dat niet gehaast zou klinken.
Ze verzamelde verklaringen zoals andere mensen bonnetjes verzamelden. Niet omdat ze er iets aan had, maar omdat weggooien voelde alsof ze later misschien nog nodig zouden zijn.
Toen het scherm om 02.17 uur oplichtte, schoot haar hand onder het kussen.
Geen bericht van David. Alleen een melding van een nieuwsapp.
Linde draaide de telefoon om en sloot haar ogen. Achter haar oogleden zag ze hem zoals hij die middag tegenover haar had gezeten. Zijn vingers om een koffiekopje. Zijn knie tegen de hare onder de kleine tafel. De manier waarop hij had gezegd dat hij nog nooit zo gemakkelijk met iemand had kunnen praten.
“Met jou voelt het anders,” had hij gezegd.
Ze had niet gevraagd wat anders betekende. Zulke vragen deden iets te gewoons met mooie zinnen. Alsof je een vlinder onder een glas zette om beter naar de kleuren te kunnen kijken en pas daarna ontdekte dat hij niet meer vloog.
Linde en David hadden elkaar vier maanden eerder ontmoet tijdens de verjaardag van een gezamenlijke kennis. Hij had haar diezelfde avond nog een bericht gestuurd. Daarna volgden dagen vol aandacht. Goedemorgenberichten, foto’s van zijn lunch, vragen over haar werk en lange gesprekken die pas eindigden wanneer een van hen bijna in slaap viel.
Hij zei dat hij normaal niemand zo snel vertrouwde. Dat zij rustig voelde. Dat hij zichzelf bij haar kon zijn.
Na hun derde ontmoeting bleef hij slapen.
De volgende ochtend stond hij op blote voeten in haar keuken en dronk koffie uit de mok waarop in verbleekte letters Beste mama stond. Die mok was van haar moeder geweest. Linde gebruikte hem zelf bijna nooit, maar David had hem zonder nadenken uit de kast gepakt.
“Ik zie mezelf hier wel aan wennen,” had hij gezegd.
Aan de koffie, had ze eerst gedacht. Misschien aan de keuken. Misschien aan haar.
Die middag stuurde hij een foto van een huis dat te koop stond aan de rand van het dorp.
Genoeg ruimte voor ons allebei, schreef hij.
Linde wist dat het een grapje kon zijn. Ze antwoordde met een lachend gezichtje, omdat een serieus antwoord te veel kon verraden. Toch bekeek ze die avond de foto’s van het huis. Ze zag waar haar boekenkast kon staan en welke kamer hij als werkplek zou gebruiken. In haar gedachten zette ze zelfs een bank onder het raam.
Daarna veranderde het contact.
Niet ineens. Er kwam geen ruzie en hij zei niet dat hij twijfelde. Zijn berichten werden alleen korter. Een goedemorgen werd soms pas aan het einde van de middag beantwoord. Een vraag over het weekend bleef staan totdat het weekend bijna voorbij was. Wanneer zij vroeg of er iets was, zei hij dat het druk was.
“Je weet toch hoe ik ben,” zei hij. “Ik ben gewoon slecht met mijn telefoon.”
Linde knikte dan, ook wanneer ze hem tijdens dat gesprek verschillende keren berichten zag beantwoorden.
Ze wilde niet moeilijk doen. Ze wilde niet de vrouw worden die vroeg waarom hij online was geweest. Ze wist hoe dat zou klinken. Achterdochtig. Onzeker. Controlerend.
Dus vroeg ze niets en controleerde ze alles.
Als hij een avond niets liet horen, keek ze naar zijn profielfoto. Als hij online kwam, hield ze haar adem in. Wanneer het woord online weer verdween zonder dat er een bericht verscheen, voelde ze een kleine val in haar buik.
Soms duurde de stilte twee dagen. Net wanneer Linde besloot dat ze afstand moest nemen, verscheen zijn naam op haar scherm.
Denk aan je.
Of:
Zullen we snel weer samen wakker worden?
Meer was er niet nodig. De uren van wachten verloren onmiddellijk hun betekenis. Ze voelde geen boosheid meer, alleen opluchting. Ze antwoordde snel, maar niet té snel. Ze wilde niet dat hij merkte dat haar hele dag door vier woorden van richting was veranderd.
Die vrijdagochtend vond ze eindelijk een bericht toen ze wakker werd.
Sorry, in slaap gevallen. Drukke kop. Spreek je later.
Linde las het drie keer. Daarna hield ze haar vinger boven het toetsenbord.
Geen probleem, wilde ze schrijven.
Maar er was wel een probleem.
Niet dat hij in slaap was gevallen. Niet dat hij soms ruimte nodig had. Het probleem was dat zij de hele nacht had liggen wachten op een vanzelfsprekendheid die voor hem blijkbaar geen enkele haast had. Zij had zijn stilte gevuld met zorg, begrip en uitvluchten, terwijl hij waarschijnlijk gewoon zijn telefoon had neergelegd toen het hem uitkwam.
Toch schreef ze:
Geeft niets. Rustig aan vandaag.
Er verscheen een blauw hartje naast haar bericht.
Linde glimlachte voordat ze zichzelf kon tegenhouden.
Die middag vertelde David dat hij een zwaar weekend voor de boeg had. Hij moest werken, zijn moeder helpen en misschien kwam een vriend uit het noorden langs.
“Volgende week ben ik weer helemaal van jou,” zei hij.
Helemaal van jou.
Linde hield zich aan die woorden vast.
Ze wist toen nog niet dat sommige beloften niet bedoeld zijn om een toekomst vast te leggen. Ze zijn alleen bedoeld om iemand rustig te laten wachten.
Het licht achter het raam
In de weken daarna zag Linde David vier keer.
Twee ontmoetingen waren laat op de avond, nadat hij eerder had gezegd dat hij geen tijd had. Rond tien uur stuurde hij dan ineens dat hij in de buurt was. Linde ruimde haastig de woonkamer op, trok een andere trui aan en deed alsof ze niet de hele avond op de bank naar haar telefoon had gekeken.
Hij kwam met vermoeide ogen binnen, sloeg zijn armen om haar heen en zei dat hij haar had gemist.
Op die momenten geloofde ze hem.
Niet omdat ze naïef was. Niet omdat ze niet zag dat iets niet klopte. Ze geloofde hem omdat zijn nabijheid precies genoeg leek op wat zij hoopte dat ze samen hadden. Wanneer hij naast haar lag, was er geen online status, geen onbeantwoord bericht en geen stilte die uitgelegd moest worden. Dan was er zijn hand op haar rug en zijn stem die zei dat alles rustiger zou worden.
“Na deze maand krijg ik meer ruimte,” beloofde hij.
De maand ging voorbij.
Daarna zou het na een belangrijk project beter worden. Toen dat project was afgerond, speelde er iets in zijn familie. Vervolgens moest hij eerst zelf weer goed in zijn vel komen.
Linde probeerde geduldig te zijn. Liefde betekende toch ook dat je niet alleen bleef wanneer alles gemakkelijk was?
Ze noemde het liefde, hoewel David het woord zelf zelden gebruikte. Hij sprak liever over later.
Later zouden ze een paar dagen naar zee gaan. Later zou hij vaker blijven slapen. Later zou hij haar voorstellen aan zijn vrienden. Later zouden ze serieus praten over wat dit tussen hen was.
Later was de plaats waar alles mogelijk bleef zonder dat er vandaag iets hoefde te veranderen.
Op de ochtend van haar verjaardag werd Linde wakker zonder bericht.
Ze keek om 07.03 uur. David was voor het laatst online geweest om 01.48 uur.
Om acht uur keek ze opnieuw. Online.
Haar telefoon bleef stil.
Ze probeerde er niet te veel betekenis aan te geven. Misschien wilde hij bellen. Misschien kwam hij onverwacht langs. Twee weken eerder had hij gevraagd wat haar plannen waren en had hij gezegd dat ze de avond voor hem moest vrijhouden.
“Geen vragen stellen,” had hij met een glimlach gezegd.
Linde had een nieuwe jurk gekocht. Donkerblauw, met kleine knoopjes bij haar hals. Ze had hem nog niet gedragen, omdat ze wilde dat David de eerste zou zijn die haar erin zag.
Rond het middaguur kwamen berichten van collega’s, familieleden en mensen die ze al jaren niet had gesproken. Ieder geluid liet haar hart opspringen. Steeds verscheen een andere naam.
Om 14.26 uur stuurde ze hem zelf een bericht.
Alles goed?
Hij kwam online. Verdween weer. Geen antwoord.
Linde legde haar telefoon in een keukenla. Twee minuten later haalde ze hem eruit. Ze zette het geluid uit, maar controleerde het scherm nog vaker omdat ze nu bang was een bericht te missen.
Om vijf uur begon ze zich op te maken. Niet omdat David had bevestigd dat hij kwam, maar omdat hij ook niet had afgezegd. Zolang hij niets zei, kon de afspraak nog bestaan.
Om zes uur trok ze de blauwe jurk aan.
Om zeven uur stak ze twee kaarsen aan. Ze had eten gemaakt dat gemakkelijk warm gehouden kon worden. De wijn stond koud.
Om kwart over acht stuurde ze:
Had ik vanavond nog vrij moeten houden?
Ze verwijderde de woorden nog vrij. Ze klonken beschuldigend.
Had ik vanavond vrij moeten houden?
Ook dat verwijderde ze.
Kom je nog?
Ze drukte op verzenden.
Een kwartier later was David online.
Linde keek naar het woord boven zijn profielfoto totdat het verdween. Haar bericht bleef onbeantwoord.
Ze at niet. Ze schonk de wijn terug in de fles en blies de kaarsen uit. Daarna ging ze op de bank zitten met haar jas nog aan, alsof hij alleen maar vertraagd was en zij ieder moment naar buiten kon lopen.
Om 22.41 uur verscheen zijn naam op het scherm.
Hé lieverd, sorry. Complete rotdag. Alles liep mis. Ik trek het even niet. Gefeliciteerd. Ik maak het goed, beloofd.
Onder het bericht stond een rood hart.
Linde voelde eerst opluchting. Daarna schaamde ze zich voor die opluchting.
Ze wilde vragen waarom hij haar niet eerder iets had laten weten. Ze wilde zeggen dat zij de hele avond had gewacht. Dat er eten in de keuken stond en dat ze een jurk had gekocht voor een afspraak die alleen in haar agenda echt leek te bestaan.
Maar hij had een rotdag gehad. Als zij nu boos werd, zou ze precies doen waar hij volgens zichzelf zo slecht tegen kon: druk zetten wanneer zijn hoofd al vol zat.
Dus schreef ze:
Wat vervelend. Zorg goed voor jezelf. We spreken elkaar wel.
David reageerde met een duimpje.
Het was haar verjaardag en ze eindigde de avond met het gevoel dat zij hém had moeten geruststellen.
Twee dagen later zat Linde bij haar vriendin Noor aan de keukentafel. Ze had zich voorgenomen niets te vertellen. Wanneer ze hardop uitsprak hoe de avond was verlopen, zou ze de uitleg van David misschien niet meer kunnen geloven.
Noor schonk thee in en vroeg hoe haar verjaardag met hem was geweest.
“Hij kon uiteindelijk niet.”
“Heeft hij afgezegd?”
“Later.”
“Hoeveel later?”
Linde haalde haar schouders op. “Hij had een moeilijke dag.”
Noor schoof haar telefoon over tafel. Op het scherm stond een foto van een druk café. Een gezamenlijke kennis had hem op zaterdagavond geplaatst. Aan een lange tafel zaten minstens tien mensen.
David zat aan het uiteinde met een glas bier in zijn hand.
De foto was gemaakt om 21.16 uur. Nog geen anderhalf uur voordat hij Linde schreef dat hij na een complete rotdag niets meer trok.
“Misschien is hij maar even gegaan,” zei Linde.
Noor antwoordde niet.
“Of die foto is eerder gemaakt.”
“De datum staat erbij.”
“Hij kan het moeilijk hebben gehad en toch met vrienden zijn meegegaan.”
“Dat kan,” zei Noor rustig.
Juist doordat Noor haar niet tegensprak, hoorde Linde hoe wanhopig haar eigen verklaringen klonken.
Op de foto zat een blonde vrouw naast David. Haar hand rustte op zijn schouder. Dat hoefde niets te betekenen. Een hand op een schouder was geen bewijs. Een glimlach was geen bekentenis. Een avond in een café maakte niet alles wat hij tegen Linde had gezegd onwaar.
Haar hoofd ging onmiddellijk aan het werk. Het maakte van ieder feit een mogelijkheid en van iedere mogelijkheid een reden om nog niet te hoeven voelen wat al zo lang pijn deed.
“Misschien moet je hem gewoon vragen wat jullie zijn,” zei Noor.
“Dat weet ik.”
“Weet je het, of hoop je het?”
Linde keek naar haar thee.
Die avond belde ze David. Hij nam pas bij de derde poging op.
“Alles goed?” vroeg hij gehaast.
“Ik wil weten wat dit voor jou is.”
Er viel een stilte.
Geen lange stilte. Misschien drie seconden. Toch voelde Linde in die seconden hoe hij zocht naar woorden die haar niet zouden laten vertrekken, maar hem ook nergens toe zouden verplichten.
“Waarom moet alles altijd een naam hebben?” vroeg hij.
“Omdat ik niet weet waar ik aan toe ben.”
“Ik heb vanaf het begin gezegd dat ik het rustig aan wil doen.”
“Je stuurde mij een huis waar volgens jou ruimte voor ons allebei was.”
“Dat was een grapje, Lin.”
“Je zei dat je helemaal van mij was.”
“Je weet toch hoe ik dat bedoel.”
Nee, dacht ze. Dat wist ze niet. Dat was juist het probleem. Zijn woorden kregen iedere keer een andere betekenis zodra zij ernaar vroeg.
“Wil je een relatie met mij?” vroeg ze.
David zuchtte.
“Ik vind je heel bijzonder.”
“Dat is geen antwoord.”
“Ik heb nu gewoon niet de ruimte om jou te geven wat je zoekt.”
De zin kwam kalm en bijna zorgzaam. Alsof hij haar iets uitlegde wat zij al veel eerder had moeten begrijpen.
“Maar je wilt me ook niet kwijt,” zei Linde.
“Natuurlijk niet.”
“Wat wil je dan wel?”
“We kunnen het toch fijn hebben zonder er meteen zo zwaar aan te tillen?”
Linde keek naar haar bed. Naar het kussen waaronder haar telefoon iedere nacht op een antwoord had gewacht.
Voor haar was het al maanden zwaar. Niet omdat zij te veel verlangde, maar omdat ze probeerde te leven op te weinig duidelijkheid.
“Was je zaterdag in het café?” vroeg ze.
Opnieuw die korte stilte.
“Wie heeft je dat verteld?”
“Dat maakt niet uit.”
“Zie je, dit bedoel ik. Ik kan niet tegen controle.”
“Ik controleer je niet. Ik vraag waarom je mij liet wachten terwijl je ergens anders zat.”
“Ik had nergens toegezegd.”
Linde sloot haar ogen.
Hij had gezegd dat ze de avond vrij moest houden. Hij had gezegd dat ze geen vragen mocht stellen. Hij had een verrassing beloofd. Toch had hij formeel misschien nergens toegezegd. Niet met een tijdstip, niet met een restaurant en niet met woorden die achteraf niet konden worden teruggenomen.
David liet altijd precies genoeg ruimte in zijn zinnen om later te kunnen zeggen dat Linde er zelf te veel van had gemaakt.
“Ik moet gaan,” zei hij. “We praten wel als je rustiger bent.”
De verbinding werd verbroken.
Linde bleef met de telefoon tegen haar oor zitten.
Nog geen minuut later verscheen hij online.
Geen bericht
De volgende ochtend stuurde Linde niets.
Ze was niet vastbesloten en voelde zich ook niet sterk. Ze wist alleen niet meer welke woorden nog iets konden veranderen. Alles wat ze wilde zeggen, had ze in een andere vorm al eens gezegd.
Dat ze hem miste.
Dat de stilte haar onzeker maakte.
Dat ze behoefte had aan duidelijkheid.
Dat ze geen volledige dagen samen verwachtte, maar wel wilde weten of zij ergens naartoe groeiden.
David had haar gehoord. Hij had alleen niets met die informatie gedaan.
Om 09.12 uur was hij online. Daarna om 09.19 uur en om 09.34 uur.
Linde keek iedere keer.
Om tien uur schreef ze een bericht.
Het spijt me van gisteren. Ik wilde je niet controleren. Ik ben gewoon bang je kwijt te raken.
Ze las de tekst terug. Haar duim hing boven het pijltje.
Toen zag ze wat ze werkelijk schreef. Niet dat zijn gedrag haar pijn deed, maar dat het haar speet dat zij die pijn had benoemd. Niet dat hij haar had laten wachten, maar dat zij bang was hem kwijt te raken.
Alsof hij ooit werkelijk van haar was geweest.
Ze verwijderde het bericht.
De eerste dagen zonder contact waren niet bevrijdend. Ze waren leeg en onrustig. Linde werd wakker met zijn naam in haar hoofd en ging slapen met de gedachte dat hij misschien de volgende dag zou schrijven. Ze nam haar telefoon mee naar de badkamer, de keuken en zelfs naar de schuur wanneer ze de was ophing.
Iedere melding bracht een schok door haar lichaam.
Soms opende ze hun gesprek en las ze terug naar het begin. Daar stond de man die haar iedere ochtend wilde spreken. De man die zei dat hij zichzelf bij haar kon zijn. De man die foto’s van huizen stuurde en schreef dat hij verlangde naar gewone zondagen samen.
Dat die berichten werkelijk bestonden, maakte haar verdriet ingewikkelder. Ze had zich de woorden niet verbeeld. Ze had alleen gedacht dat woorden die over een toekomst gingen ook betekenden dat iemand bereid was die toekomst mee op te bouwen.
Na zes dagen stuurde David:
Ben je nog boos?
Lindes hart sloeg zo hard dat het pijn deed.
Ze typte:
Nee hoor.
Ze verwijderde het.
Daarna schreef ze:
Ik ben niet boos. Ik ben verdrietig.
Ook dat verwijderde ze.
Uiteindelijk legde ze haar telefoon op tafel en liep naar buiten. Ze maakte een ronde door de wijk zonder jas, hoewel het kouder was dan ze had verwacht. Toen ze terugkwam, stond er een tweede bericht.
Ik mis je wel.
Precies genoeg, dacht ze.
Niet: ik wil met je praten.
Niet: ik begrijp waarom je verdrietig bent.
Niet: ik wil een relatie met je.
Alleen: ik mis je wel.
Vier woorden die haar opnieuw konden laten wachten zonder dat David iets hoefde te veranderen.
Linde antwoordde niet.
Een uur later kwam er een vraagteken. Daarna bleef het stil.
De dagen die volgden, controleerde ze nog vaker dan daarvoor. Nu wachtte ze niet alleen op een bericht, maar ook op de bevestiging dat haar stilte iets met hem deed. Ze hoopte dat hij zou bellen, voor haar deur zou staan of eindelijk zou zeggen dat hij haar niet kwijt wilde.
Na een week zag ze hem online terwijl haar laatste gesprek met hem nog altijd eindigde bij zijn vraagteken.
Toen begreep ze iets wat tegelijk eenvoudig en ondraaglijk was.
David wist waar zij woonde. Hij had haar nummer. Hij kende haar gevoelens en wist wat zij nodig had. Er was geen misverstand meer dat zij met het juiste bericht kon oplossen. Geen verborgen angst waarvoor zij alleen wat meer geduld hoefde te hebben. Geen perfecte zin die hem ineens zou laten inzien wat zij samen konden zijn.
Hij wilde haar dichtbij genoeg houden om haar niet helemaal te verliezen, maar niet dichtbij genoeg om verantwoordelijkheid te dragen voor wat zijn aandacht bij haar opriep.
Misschien vond hij haar werkelijk bijzonder. Misschien miste hij haar soms echt. Dat maakte hem nog niet bereid om haar lief te hebben op een manier waarin zij zich veilig kon voelen.
Linde had lang gedacht dat zij één duidelijk antwoord van hem nodig had. Nu zag ze dat hij het antwoord al maanden gaf. Niet in de mooie zinnen, maar in alles wat daarna uitbleef.
Die avond haalde ze de telefoon onder haar kussen vandaan.
Ze legde hem aan de oplader in de keuken. Daarna liep ze terug naar de slaapkamer. Het bed voelde vreemd zonder het harde toestel onder haar hoofd. Haar hand gleed een paar keer automatisch onder het kussen en vond alleen koele stof.
Ze sliep nauwelijks.
De volgende ochtend was er geen bericht.
Ook de ochtend daarna niet.
Linde verwijderde zijn nummer nog niet. Ze blokkeerde hem evenmin. Daar was ze nog niet aan toe. Wel zette ze zijn online status uit haar zicht en verplaatste ze hun gesprek naar het archief. Het waren kleine handelingen die niemand zag, maar voor haar voelden ze alsof ze voorzichtig haar eigen leven terughaalde uit een kamer waarin David nooit werkelijk was gaan wonen.
Soms miste ze hem zo sterk dat ze opnieuw een bericht opstelde. Op zulke momenten schreef ze in een notitie wat ze eigenlijk hoopte te ontvangen.
Zeg dat ik niet te veel was.
Zeg dat het niet alleen in mijn hoofd bestond.
Zeg dat je alsnog voor mij kiest.
Langzaam begreep ze dat geen enkel antwoord van hem haar kon geven wat zij werkelijk nodig had. Zelfs als hij zou zeggen dat zijn gevoelens echt waren geweest, veranderde dat niets aan de nachten waarin zij met haar telefoon onder haar kussen had gelegen. Zelfs als hij haar miste, betekende dat nog niet dat hij haar een plaats in zijn leven wilde geven.
Drie maanden later lichtte haar telefoon tijdens het ontbijt op.
David.
Hé vreemdeling. Moest ineens aan je denken. Hoe gaat het?
Linde voelde de oude beweging in haar lichaam voordat ze een gedachte kon vormen. Haar hart versnelde. Haar hand werd warm rond de telefoon. In één ogenblik was ze weer de vrouw in de blauwe jurk, wachtend naast twee uitgeblazen kaarsen.
Ze opende hun gesprek.
Er waren zoveel antwoorden mogelijk. Ze kon vertellen dat het goed ging. Ze kon vragen waarom hij nu ineens schreef. Ze kon afstandelijk doen, vriendelijk blijven of eindelijk alles zeggen wat ze maandenlang had ingeslikt.
Toen keek ze naar zijn bericht.
Geen verontschuldiging. Geen erkenning. Geen antwoord op wat zij hem had gevraagd.
Alleen een klein haakje dat hij in haar dag uitgooide om te voelen of de lijn nog vastzat.
Linde legde haar telefoon met het scherm naar beneden op tafel.
Ze maakte haar ontbijt af. Daarna kleedde ze zich aan en fietste naar de markt. Onderweg voelde ze verdriet, maar ook iets wat lange tijd geen ruimte had gekregen.
Rust.
David had haar ooit geleerd te wachten op kruimels alsof ze de belofte van een hele maaltijd waren. Nu leerde zij zichzelf dat gemis niet betekende dat ze terug moest.
Aan het einde van de middag verwijderde ze zijn bericht.
Ze stuurde niets terug.
Niet om hem te straffen. Niet om een spel te spelen en ook niet in de hoop dat hij harder achter haar aan zou komen. Ze antwoordde niet omdat ze eindelijk begreep dat zij niet opnieuw hoefde uit te leggen waarom ze liefde nodig had die ook buiten mooie woorden zichtbaar werd.
Die nacht lag haar telefoon in de keuken.
Voor het eerst werd Linde wakker zonder onmiddellijk onder haar kussen te voelen. Het ochtendlicht viel door een kier in de gordijnen en ergens buiten begon een merel te zingen.
Er was geen bericht.
Er was ook geen vraag meer.